Noordhoff Uitgevers

Zweefvliegen

Hoog in de lucht, zo vrij als een vogel, dat is zweefvliegen. Mensen hebben eeuwenlang geprobeerd om net als vogels te kunnen vliegen. Pas aan het eind van de 19e eeuw lukte het om zweeftoestellen te maken waarmee je een tijd in de lucht kon blijven. Deze vliegtoestellen werden steeds verder verbeterd. In 1903 was er voor het eerst een zweefvliegtuig met een ingebouwde motor. Vanaf dat moment waren motorvliegtuigen belangrijker. Je kon er verder mee vliegen en goederen en mensen mee vervoeren.
Zweefvliegtuigen werden sindsdien gebruikt voor de sport. Bij deze sport heeft de piloot geleerd hoe hij zo lang mogelijk in de lucht kan blijven. Want als hij niets doet, staat een zweefvliegtuig al na vijf of tien minuten weer aan de grond.
In Nederland zijn ongeveer vierduizend mensen die zweefvliegen. Lijkt het jou wat? Het leuke van zweefvliegen is dat je het al vanaf je veertiende mag leren.

Mensen hebben eeuwenlang geprobeerd om net als vogels te kunnen vliegen.

De lucht in

Een zweefvliegtuig heeft weinig uitsteeksels en is klein, smal en glad. Zo heeft het weinig weerstand. Het bestaat uit een romp, vleugels en een staart. De lange vleugels dragen het vliegtuig door de lucht. De vorm van de vleugels is belangrijk voor de lift.
Om te kunnen opstijgen moet een vliegtuig snelheid hebben. Een zweefvliegtuig heeft daarbij hulp nodig. Opstijgen kan op verschillende manieren, bijvoorbeeld achter een motorvliegtuig of met een lier. Opstijgen achter een motorvliegtuig heet sleepstart. Bij het opstijgen met een lier zit het zweefvliegtuig met een lange kabel aan de lier vast. Als de motor van de lier wordt aangezet, rolt de kabel op. Het vliegtuig stijgt snel en steil omhoog. In de lucht koppelt de piloot de kabel af. Die komt aan een parachuutje omlaag.

Zweven

Met zijn lange vleugels, zijn gladde romp en zijn lichte gewicht kan een zweefvliegtuig goed zweven. Toch zal het na een poos altijd omlaag gaan. Dat heeft te maken met de zwaartekracht. Maar een zweefvlieger wil zo lang mogelijk in de lucht blijven. Dat kan alleen door te stijgen. Om te kunnen stijgen moet de piloot op zoek naar thermiek. In thermiek gaat het vliegtuig met de lucht mee omhoog. Onder een wolk bevindt zich vaak opstijgende lucht. Daarom vliegt een zweefvlieger van wolk naar wolk.
De meeste zweefvliegers maken liever een lange vlucht dan alleen maar rondjes boven het zweefvliegveld. Voordat de vlieger een lange vlucht maakt, zet hij eerst een route uit die het best bij het weer past. Hij moet rekening houden met de windrichting, de windkracht en de thermiek. Tijdens de vlucht houdt hij het landschap goed in de gaten. Want boven een meer of boven de heuvels kan de wind anders zijn.

Tijdens de les zit de leerling voorin en de instructeur achterin.

Zweefvliegen lijkt makkelijk. Maar als je niet precies weet wat je moet doen, kan het gevaarlijk zijn. Daarom moet je lessen nemen en examen doen. Je haalt dan je vliegbrevet. Tijdens de lessen ga je samen met een instructeur vliegen. Als hij denkt dat je alles kunt, mag je alleen de lucht in. De meeste zweefvliegers vinden die allereerste vlucht de mooiste ervaring. Voor het eerst alleen in de lucht, zo vrij als een vogel.

Details en informatie

  • Titel: Zweefvliegen
  • Auteur(s): Marijke Hanegraaf
  • Nummer: IC329
  • Niveau: 3
  • Siso: J 618.73