Noordhoff Uitgevers

Zwemmen

Nederland is een zwemland. Het is één van de landen waar de meeste mensen kunnen zwemmen. Dat is niet zo gek, want er is heel veel water. Bijna alle kinderen van twaalf hebben een zwemdiploma. Kinderen die echt goed kunnen zwemmen, hebben het zwem-ABC.
Al in 1870 werd de eerste zwemclub opgericht: de Amsterdams Zwemclub. Toch was zwemmen een sport die niet door heel veel mensen werd beoefend. Dat veranderde toen er steeds meer zwembaden kwamen. Rond 1940 waren er zoveel, dat iedereen wel kon gaan zwemmen. De regering vond het toen belangrijk dat kinderen leerden zwemmen. Schoolzwemmen werd verplicht.
Nu zijn er allerlei zwemwedstrijden en de beste zwemmers doen mee aan de competities van de Koninklijke Nederlandse Zwembond/KNZB. Winnaars van deze wedstrijden doen mee aan de Europese kampioenschappen en de wereldkampioenschappen. En misschien halen ze wel een medaille op de Olympische Spelen.

Bij wedstrijden zijn er per slag verschillende afstanden die je kunt zwemmen, bijvoorbeeld 25, 50, 100 of 200 meter.

Waterratten

Als je het zwem-ABC gehaald hebt, kun je heel goed zwemmen. Maar echte waterratten oefenen nog verder. Bijvoorbeeld voor het diploma zwemvaardigheid, snorkelen of balvaardigheid. Bij ieder examen is er een beoordelingscommissie. Die kijkt of je alle onderdelen goed uitvoert. Soms is er ook iemand van het Nationaal Platform Zwembaden/NRZ. Die controleert of alles goed verloopt.
Voor zwemwedstrijden heb je een speciaal bad. In zo'n wedstrijdbad zijn allerlei tekens aangegeven. Daardoor weet een zwemmer bijvoorbeeld wanneer hij moet keren.
Er zijn bij het zwemmen wel 150 verschillende soorten slagen. Daarvan horen er vier bij het wedstrijdzwemmen. Een combinatie van deze vier slagen heet wisselslag. De slag waarmee je het snelst vooruitkomt, is de vrije slag of borstcrawl. Maar niet alleen de slag bepaalt je snelheid. Bijvoorbeeld ook je spierkracht is belangrijk. En de manier waarop je zwemt: als je gestroomlijnd in het water ligt, kom je sneller vooruit. En zelfs het zwempak dat je draagt, kan invloed hebben op je snelheid.

Andere sporten

Bij sommige zwemsporten is het niet belangrijk om snelheid te maken. Bij waterpolo bijvoorbeeld, moet je wel snel kunnen reageren. Maar je moet vooral heel goed kunnen zwemmen en veel uithoudingsvermogen hebben. Een heel andere sport is synchroonzwemmen. Het lijkt op ballet in het water en je maakt met een groepje tegelijkertijd dezelfde beweging. Hierbij is het van belang dat je van samenwerken houdt en een goed gevoel voor ritme hebt.
Welke sport je ook kiest, er moet altijd veel getraind worden. Bijvoorbeeld om je techniek te verbeteren, zodat je sneller kunt zwemmen. Daarvoor krijg je advies van een trainer of coach. Bij de training van waterpolo oefen je vooral in snel zwemmen, omgaan met de bal, doel schieten, aanvallen en verdedigen. Heel belangrijk is samenwerking. Bij de training van synchroonzwemmen oefen je veel figuren. Een dans bestaat uit figuren en zwemslagen. Om die mooi gelijk te krijgen, oefen je eerst op het droge. En je krijgt gymoefeningen, om sterker en leniger te worden. Op de training leer je ook eggbeaten (zeg: ekbietun) en onder water zwemmen. Zo leer je om steeds langer je adem in te houden.

Bij een waterpolowedstrijd dragen de teams badmutsen met oorbeschermers. Ieder team heeft een eigen kleur. Zo kun je de teams uit elkaar houden.

Details en informatie

  • Titel: Zwemmen
  • Auteur(s): Josée Gruwel
  • Nummer: IC295
  • Niveau: 3
  • Siso: J 617.91