Noordhoff Uitgevers

Bloed

Zonder bloed kun je niet leven. Bloed stroomt bijna overal in je lijf, van je neus tot in je kleine teen, en van je hersenen tot in je darmen. Je hart pompt het bloed rond. Het bloed komt ook weer in het hart terug als het door je hele lijf is geweest. Het zit dan vol met afvalstoffen, die je via je longen weer uitademt.
Het bloed stroomt door je bloedvaten. Er zijn drie soorten. De grote bloedvaten zorgen er voor dat het bloed vanuit je hart naar andere lichaamsdelen stroomt. Door de kleinste komt het bloed op zijn bestemming terecht. Daarna gaat het via de aders terug naar het hart.
Bloed bestaat voor de helft uit plasma en voor de andere helft uit bloedcellen. Er zijn drie soorten cellen: rode en witte bloedcellen en bloedplaatjes. Alle drie hebben ze hun eigen taak.


Als je bent gevallen en een wondje hebt, is er een bloedvat kapot. Hier komt dan bloed uit.

Taken

Bloed heeft verschillende taken. Om die taken goed te doen, moet het bloed worden rondgepompt door je lichaam. Daar zorgt het hart voor. 
Alle cellen in je lijf hebben zuurstof en voedingsstoffen nodig, zoals eiwitten of vitamines. Denk maar aan hersencellen of spiercellen. Sommige voedingsstoffen worden via je mond of maag in je bloed opgenomen. Maar de meeste komen via de wand van je darmen in het bloed terecht. Vervolgens vervoert het bloed de zuurstof en voedingsstoffen naar alle hoeken en gaten van je lijf. Als de lichaamscellen de zuurstof en voedingsstoffen gebruikt hebben, blijft er afval over. Het bloed zorgt er voor dat dit afval wordt afgevoerd.
Bloed vervoert ook warmte door je lichaam. Als je het warm krijgt, worden de bloedvaten onder je huid wijder en stroomt extra bloed naar je huid. Via de huid kan de warmte je lichaam verlaten.
Ook de rode en witte bloedcellen en de bloedplaatjes hebben een eigen taak. Van de rode bloedcellen heb je er het meest. Zij zorgen ervoor dat bijvoorbeeld zuurstof door het lichaam wordt vervoerd. Van de witte bloedcellen zijn er veel minder. Die beschermen ons tegen indringers, zoals bacteriën en virussen. Als je een virus in je lijf hebt, worden er meer witte bloedcellen aangemaakt. Het bloed brengt ze naar de plek waar de indringers zitten.
Het bloedplaatje is een soort reparatiesetje. Als je ergens een wond hebt, brengt het bloed de bloedplaatjes naar die plek. De bloedplaatjes zorgen er voor dat het bloed gaat stollen. De wond stopt met bloeden.


De drie verschillende bloedcellen hebben allemaal een andere vorm. 

Je bloed onderzoeken

Een dokter kan veel zien aan je bloed. Bijvoorbeeld of je last hebt van bloedarmoede. Dat kan hij oplossen met ijzerpillen. Behalve te weinig, kun je juist ook te veel bloedcellen hebben. Als je bloedkanker hebt, kunnen er te veel witte bloedcellen in je bloed komen. En meestal werken ze dan ook niet goed. Ze beschermen je lijf niet tegen indringers. Je kunt er heel ziek van worden. Veel kinderen kunnen gelukkig wel genezen van bloedkanker als ze behandeld worden in het ziekenhuis.
Als er iets mis is met je bloed, kun je bloed van iemand anders krijgen. Die persoon moet dan wel dezelfde bloedgroep hebben als jij. Iemand met bloedgroep AB heeft geluk, die kan van alle bloedgroepen bloed ontvangen.

Dit is een samenvatting van het Informatie-boekje 410 Bloed.

Details en informatie

  • Titel: Bloed
  • Auteur(s): Kim Nelissen
  • Nummer: 410
  • Niveau: 5
  • Siso: J 600.52