Noordhoff Uitgevers

Leven in de vroege middeleeuwen

Als de Romeinse legers terug zijn naar Rome in 476 na Christus, begint in West-Europa een periode die wij de ‘vroege middeleeuwen’ noemen. De verschillenden Germaanse volkeren die hier wonen, regelen hun zaken voortaan zelf. Een van die volkeren, de Franken, slaagt erin zijn gebied uit te breiden. De Frankische koning Karel de Grote krijgt de macht over een groot gebied dat hij bestuurt met hulp van zijn leenmannen.
De vroege middeleeuwen noemen we ook wel de tijd van monniken, ridders en boeren. Dat zijn de drie groepen mensen die er toen leefden. 
Vanaf het jaar 500 kwam er een nieuw geloof, het Christendom. Christenen geloven in Jezus Christus.
Aan het eind van de vroege middeleeuwen werd de handel steeds belangrijker. Op plaatsen als kruispunten of bruggen ontstonden markten. Deze marktplaatsen groeiden langzamerhand uit tot steden.

Een nieuw geloof

In de vroege middeleeuwen werd het geloof zo belangrijk dat sommige mensen in een klooster gingen wonen. Het leven van deze monniken bestond uit bidden en werken. Ze maakten onder meer nieuwe boeken door bestaande boeken over te schrijven, zoals de Bijbel. Dat is het heilige boek van de christenen. Monniken trokken ook rond om het nieuwe geloof te verspreiden.
De monniken wisten veel van de werking van geneeskrachtige planten. Daarom gingen zieke mensen naar een klooster voor hulp. 

In 1771 werd Karel de Grote koning van de Franken. Hij voerde veel oorlogen om zijn gebied uit te breiden. Karel was christen en wilde dat alle mensen in zijn rijk christen werden.
Een groot rijk was niet altijd handig. Karel moest veel reizen, hij trok van palts naar palts. Hij nam zijn ridders, lijfwachten en bedienden mee. Reizen met zo’n groot gezelschap kostte veel tijd. Karel wilde zijn grote rijk beter bestuurbaar maken. Hij deed dit met het leenstelsel. Volgens dit stelsel gaf Karel hoge edelen een stuk land te leen. Op dit grondgebied moest de leenheer namens Karel besturen en er recht spreken. Hij was verplicht de boeren te beschermen. In ruil daarvoor moesten de boeren een deel van hun oogst afstaan aan de leenheer.
Karel deed meer dan vechten en besturen. Hij vond onderwijs belangrijk en vond dat behalve monniken ook edelen en andere mensen konden lezen en schrijven.

Bijna iedereen is boer

In de vroege middeleeuwen was ons land een boerensamenleving. De meeste boeren waren geen eigen baas. Zij waren horigen en moesten werken voor de kasteelheer. Op de akkers verbouwden boeren gerst, bonen, rogge en vlas. Meestal hadden ze ook vee. Toch hadden ze niet altijd genoeg eten. De oogst kon mislukken en de grond kon uitgeput raken, zodat er niets meer groeide. 
Mensen maakten de spullen die ze nodig hadden meestal zelf. Kleding en schoenen, maar ook potten en pannen. Geld gebruikten ze niet Ze ruilden hun spullen met andere boeren of met handelaren.
Na de dood van Karel viel zijn rijk uiteen. Tegelijkertijd kwamen er handelaren uit het Noorden, de Vikingen. Niet alle Vikingen kwamen om te plunderen. Ze bleven wonen en trouwden met meisjes uit de omgeving. Zo mengden ze zich met de oorspronkelijke bevolking.

Dit is een samenvatting van het Informatie-boekje 28 Leven in de vroege middeleeuwen.

Details en informatie

  • Titel: Leven in de vroege middeleeuwen
  • Auteur(s): Petra Cremers
  • Nummer: 28
  • Niveau: 4
  • Siso: J 925.9