Noordhoff Uitgevers

Boekdrukkunst

Vroeger kon lang niet iedereen schrijven. Monniken konden het wel. Zij leefden in een klooster. Ze wijdden hun leven aan God. In het klooster leerden ze lezen en schrijven. Ze deden belangrijk werk door boeken met de hand over te schrijven. Meestal was dat de bijbel, een boek met verhalen over God. Ze schreven met inkt op perkament. Dat was een soort papier gemaakt van dierenhuid. Ze schreven met mooie letters en versierden de teksten. Het was priegel-werk. Je moest er veel geduld voor hebben. Daar komt de uitdrukking 'monniken-werk' vandaan. Een monnik schreef ongeveer vier bladzijden per dag. En als hij een foutje maakte, dan moest hij opnieuw beginnen.

In speciale bibliotheken kun je nog wel boeken inzien die gemaakt zijn door monniken.

Een uitvinding

Zo'n 550 jaar geleden woonde in Duitsland een goudsmid. Hij heette Johannes Gutenberg. Hij bedacht een nieuwe manier om boeken te maken. Hij maakte losse letters van metaal. Hij goot vloeibaar metaal in een letter-vorm. Als de letter uit de vorm kwam, zag hij er omgekeerd uit. De letter was in spiegel-beeld. Bij het afdrukken kwam de letter dan weer leesbaar op papier. Hij legde van die letters woorden en zinnen in een houten raamwerk. Als dat vol was, had hij een bladzijde. Het raamwerk ging op een drukpers. Hij smeerde de letters in met inkt en drukte ze met de drukpers op papier. Zo kon hij een hele bladzijde in een keer afdrukken. Net zo vaak als hij maar wilde. Zo ontstond de boekdrukkunst.

Toen de boekdrukkunst uitgevonden was, ontstonden de eerste drukkerijen. Daar werden boeken gedrukt. De eerste drukpersen bestonden uit een onderplaat en een bovenplaat. Die bovenplaat heet een degel. Daarom heet zo'n pers een degel-pers. De drukker legde een raamwerk met letters op de onderplaat. Dat raamwerk noem je de drukvorm. Op de letters deed de drukker inkt. Dan legde hij een leeg vel papier op de drukvorm. Dat vel werd nu door de degel tegen de letters aangedrukt. Zo kreeg je een afdruk van de letters op het papier. Rond 1500 kwamen de meeste boeken niet meer uit kloosters, maar uit drukkerijen.

Boeken worden nu met duizenden tegelijk gedrukt. Een hele vooruitgang.

In de 19e eeuw (tussen 1800 en 1900) werden er nieuwe druk-machines uitgevonden. Daarop kon veel sneller worden gedrukt. Het ging automatisch. De snelste drukpers is nu de rotatie-pers. In deze grote machine loopt het papier tussen twee draaiende cilinders door. Dat zijn een soort brede, gladde en dikke wielen van staal. Om een van de cilinders zit de drukvorm. Die wordt niet meer met losse letters gemaakt. De tekst wordt op een computer gemaakt en dan gefotografeerd. Met de computer, de printer en de kopieer-machine hebben we eigenlijk allemaal onze eigen drukpers. In een paar seconden heb je een afdruk van een bladzijde.

Details en informatie

  • Titel: Boekdrukkunst
  • Auteur(s): Jakob van Sonderen
  • Nummer: JC215
  • Niveau: 2
  • Siso: J 684.1