Noordhoff Uitgevers

De Germanen

Tweeduizend jaar geleden woonde in Noord-Europa het volk van de Germanen. Ook in het gebied dat nu Nederland is. De Germanen leefden in verschillende groepen. Zo waren er in ons land Friezen, Bataven en Cananefaten. De verschillende groepen spraken min of meer dezelfde taal. Later ontstonden uit die taal het Engels, Duits, Nederlands, Fries en de Scandinavische talen. In Nederland wonen nog steeds afstammelingen van de Germanen.
De Germanen woonden in boerderijen gebouwd van houten palen en met een dak van riet of stro. Ze verbouwden granen en groenten, zoals kool, erwten en koolraap. Graan maalden ze fijn tot meel, waarvan ze brood bakten of pap maakten. Van gerst brouwden ze bier, een belangrijke drank voor de Germanen. Van vlas werd textiel gemaakt. Dieren leverden vlees, melk, wol en leer.

Zo zag een Germaanse boerderij er waarschijnlijk uit.

Het Germaanse leven

De Germanen hadden een sterk familiegevoel. Tussen broers, zussen, neven, nichten, ooms en tantes, bestond een stevige familieband en vaak woonden ze ook bij elkaar in één huis. Gezinnen bestonden uit een man, een vrouw en gemiddeld vier kinderen.
De Germanen leefden bij elkaar in grote familiegroepen. Aan het hoofd van zo'n groep stond het familiehoofd. De andere familieleden hadden veel respect voor hem en deden meestal wat hij zei. Hij gaf advies bij problemen en nam beslissingen bij familieruzies en huwelijken.
In huis was de vrouw de baas. De man had de leiding over alles wat buitenshuis gebeurde. Kinderen stierven vaak al bij de geboorte, of nog voordat ze twee jaar waren. Dat kwam doordat mensen weinig wisten over hygiëne en ziekten.
De Germanen hielden zich aan allerlei onderlinge regels en wetten. Omdat ze geen schrift kenden, werden die mondeling doorverteld, van ouders op kinderen. Zo leerde iedereen de regels. Als iemand zich niet aan de ongeschreven regels hield, kon hij zwaar gestraft worden.

De Germanen geloofden in een leven na de dood. Wie als dapper krijger sneuvelde, mocht naar het Walhalla. De god Wodan was de schepper van deze hemel. De Germanen geloofden in verschillende goden en godinnen. Wodan was de belangrijkste god. Wodans vrouw Freya was de godin van het nieuwe leven. Donar was de god van de donder en bliksem. De Germanen stelden zich voor dat hij met een bokkenwagen door de lucht reed.

De Germaanse god Donar met zijn bokkenwagen.

De Germanen probeerden de goden te vriend te houden door ze offers te geven. Dat kon een gedood schaap zijn, of een kledingstuk, of een sieraad waar ze trots op waren. Heel soms offerden ze een mens. Priesters en priesteressen speelden een belangrijke rol in het leven van de Germanen. Zij hadden een bijzondere band met de goden en de natuur en konden runen lezen. Deze lettertekens werden ook wel in stenen gehakt.
Rond het jaar 50 voor Christus kwamen de Romeinen naar het gebied van de Germanen. Zij schreven over ze als de blonde reuzen van het noorden. Door de geschriften van de Romeinen weten we veel over het leven van de Germanen.
Vanaf ongeveer het jaar 700 namen veel Germanen een andere godsdienst aan: het christendom. Langzaam maar zeker werd de Germaanse godsdienst vergeten. Maar toch zijn er tegenwoordig nog bepaalde dingen over van de cultuur, de levenswijze van de Germanen. Voorbeelden zijn het versieren van een boom met Kerstmis en eieren zoeken met Pasen.

Details en informatie

  • Titel: De Germanen
  • Auteur(s): Karin van Hoof
  • Nummer: IC224
  • Niveau: 3
  • Siso: J 924