Noordhoff Uitgevers

De Tachtigjarige Oorlog

In de zestiende eeuw (1500-1600) was Nederland nog geen zelfstandig land. Wel was er een groepje landjes dat de Nederlanden werd genoemd. De Nederlanden hoorden bij het enorme rijk van keizer Karel de Vijfde. In 1555 volgde diens zoon Filips de Tweede hem op. Deze Spaanse koning kreeg veel problemen met de Nederlanden. Filips wilde niet dat de zeventien Nederlandse gewesten een eigen bestuur hadden. Hij wilde zelf de baas zijn en zijn eigen wetten en belastingen doorvoeren.
Een ander groot probleem had te maken met godsdienst. Steeds meer mensen kwamen in opstand tegen de Rooms-Katholiek Kerk, die heel rijk was, terwijl er grote armoede heerste. Filips was fel tegen deze protestanten. Hij wilde dat iedereen rooms-katholiek was, net als hij. Een speciale kerkrechtbank moest protestanten opsporen en ter dood veroordelen.
Uiteindelijk leidden deze problemen tot een oorlog tussen de Nederlanden en Spanje: de Tachtigjarige Oorlog .

Protestanten werden in het openbaar op een brandstapel verbrand.

De Opstand

In 1566 protesteerden tweehonderd edellieden in Brussel bij Marghareta van Parma. Zij was de plaatsvervanger van Filips in De Nederlanden, want Filips woonde in Spanje. De edelen vroegen haar om minder streng op te treden tegen de protestanten. In datzelfde jaar bestormden protestanten katholieke kerken. Ze gingen als razenden tekeer en vernielden beelden, schilderijen en nog veel meer. Toen Filips over deze Beeldenstorm hoorde, stuurde hij de Spaanse hertog van Alva met een leger naar de Nederlanden om de orde te herstellen. Alva nam een aantal strenge maatregelen. Een speciale rechtbank liet 1100 opstandelingen ter dood brengen. Ook voerde Alva nieuwe belastingen in .
Willem van Oranje, een rijke edelman die was gevlucht, wilde de Nederlanden bevrijden van Alva en het Spaanse leger. Hij zocht mannen bij elkaar en vormde een leger. Op 23 mei 1568 wonnen de Nederlanders de eerste veldslag bij Heiligerlee in Groningen. Hiermee begon de Tachtigjarige Oorlog.

Willem van Oranje wordt wel de 'vader des vaderlands' genoemd. Als hij niet in opstand was gekomen, had Nederland misschien nooit als zelfstandig land bestaan.

Het leger van Willem van Oranje behaalde niet overal overwinningen. Veel steden werden bezet door Spaanse soldaten. Maar op 1 april 1572 kreeg hij hulp uit onverwachte hoek. Het stadje Den Briel werd terugveroverd door Nederlandse watergeuzen, een soort piraten.
In 1579 spraken de bestuurders van een aantal noordelijke Nederlandse provincies af om één leger te vormen en samen tegen de Spanjaarden te strijden. Deze afspraak heet de Unie van Utrecht. Twee jaar later besloten deze provincies dat Filips de Tweede niet langer hun koning was. Ze erkenden alleen Willem van Oranje als leider. Vanaf dat moment vochten ze niet meer alleen tegen het Spaanse leger, maar ook voor een eigen, onafhankelijk land.

Op 10 juli 1584 werd Willem van Oranje door Balthasar Gerards in Delft vermoord.
Zijn zoon Maurits zette de strijd voort. In 1588 riepen de noordelijke provincies de Republiek uit: de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. De Republiek was een zelfstandig land dat werd bestuurd door de Staten-Generaal, een vergadering van kooplieden en geleerden. Er stond geen koning aan het hoofd. Dat was in de hele wereld nog nooit vertoond!
Twaalf jaar lang, van 1609 tot 1621, werd er niet gevochten. Dit noemen we het Twaalfjarig Bestand. In die periode bleven Spanje en de Republiek wel vijanden.
Uiteindelijk sloten de Spanjaarden in 1648 vrede met de Republiek, in de Duitse stad Münster. Spanje gaf toe dat de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden een zelfstandig land was, waar de Spaanse koning niets meer te vertellen had.

Details en informatie

  • Titel: De Tachtigjarige Oorlog
  • Auteur(s): J. Oldenhoven, K. v. Hoof
  • Nummer: IC242
  • Niveau: 3
  • Siso: J 934.4