Noordhoff Uitgevers

De VOC

Vind jij het leuk om iets te kopen en weer te verkopen? Met veel winst? Als je in de zeventiende eeuw leefde, tussen 1600 en 1700, zou je dan misschien handelaar geworden zijn. Samen met verschillende handelaars had je dan waarschijnlijk de Vereenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) opgericht.
De VOC bouwde schepen en voer daarmee naar Zuidoost-Azië. Daar haalde ze handelswaar die in Nederland veel geld opleverde. Het waren lange en gevaarlijke reizen. Je kon ziek worden van het slechte eten. En het schip kon in een storm vergaan of gekaapt worden door piraten. Of je raakte in oorlog met concurrenten. Deze handelaars uit andere landen maakten dezelfde reizen en wilden dezelfde producten kopen.
De zeventiende eeuw heet in Nederland ook wel de 'gouden eeuw' door de bloeiende handel van de VOC. Een kleine groep werd schatrijk. Maar voor de meeste mensen die voor de VOC werkten, was het leven hard. Zij werden slecht betaald. Bijvoorbeeld de mensen die de producten verbouwden, kregen daar weinig voor.

De mensen die de producten verbouwden, moesten zich aan de regels van de VOC houden. Anders konden ze mishandeld of streng gestraft worden.

Oprichting

In 1498 ontdekten de Portugezen hoe ze van Europa naar Azië konden varen. Ze gingen handel drijven in specerijen. Deze deeltjes van tropische planten geven smaak aan het eten. De planten waren in Azië goedkoop. In Europa werden ze voor veel geld verkocht. Nederlandse handelaars wilden ook wel rijk worden. Maar er waren er te veel en ze waren niet goed georganiseerd. Daardoor verdienden ze bijna niets. De Nederlandse regering vond het beter als de handelaars zouden samenwerken. Daarom werd in 1602 de VOC opgericht.
Het bouwen van schepen, het personeel en de handelswaar kostten veel geld. Dat werd betaald door de handelaars, maar ook door gewone mensen. Deze mensen kochten een klein stukje van de VOC, een aandeel. Na een aantal jaren kregen ze dan een deel van de winst.

De schepen van de VOC waren zo groot als vijf klaslokalen achter elkaar.

Aan boord van een schip

In het begin kocht de VOC vooral specerijen, zoals peper. Ze werden niet alleen gebruikt om het eten op smaak te brengen. Het waren ook medicijnen. Kruidnagels bijvoorbeeld, werkten goed tegen kiespijn. In de loop van de tijd brachten de VOC-schepen ook andere producten mee. Zoals katoen en zijde. Of voorwerpen van een speciaal soort gebakken klei uit China, porselein.

De VOC bouwde zelf de schepen. Het waren grote schepen met verschillende verdiepingen, ofwel dekken. Onder in het ruim lagen eten, gereedschap en materialen. Op de andere dekken woonden en werkten zeemannen. Bijvoorbeeld stuurmannen, matrozen en zeilmakers. Belangrijke mensen hadden een eigen hut, zoals de dokter. De baas van het schip, de schipper, had de mooiste hut. Er voeren tussen de tweehonderd en driehonderd mensen mee.

De reis duurde minstens acht maanden. Er gingen grote hoeveelheden water en voedsel mee. Het eten bleef niet lang goed. Fruit en groente bedierven snel en het water kreeg een vieze smaak. Het menu bestond meestal uit bonen of erwten. Die kon je lang bewaren als ze gedroogd waren. Daarbij aten ze gezouten vlees of stokvis, gedroogde gezouten vis.
De mensen met een eigen hut kregen wel vers vlees, van dieren die aan boord meegingen.

Details en informatie

  • Titel: De VOC
  • Auteur(s): Karin van Hoof
  • Nummer: IC251
  • Niveau: 3
  • Siso: J 939.2