Noordhoff Uitgevers

Erfelijkheid

Op wie lijk jij? Op je vader of je moeder? Waarschijnlijk heb je kenmerken van beiden. Bijvoorbeeld de sproeten van je moeder en de krullen van je vader. De vorm van je neus en je oren, de kleur van je ogen en de lengte van je vingers, al deze kenmerken en nog veel meer krijg je bij je geboorte mee van je ouders. Je hebt ze geërfd. Ieder mens is een mix van allerlei eigenschappen, geen twee mensen op de hele wereld zijn hetzelfde. Zelfs bij een ééneiige tweeling zie je kleine verschillen. Iedereen is uniek.

Soms is het fijn dat je eigenschappen van je ouders erft. Het is natuurlijk leuk als je net zo goed kunt voetballen als je vader, of zelfs beter. Maar het kan ook heel vervelend zijn. Bijvoorbeeld als één van je ouders een erfelijke ziekte heeft of daar drager van is. Dan kun je de aanleg voor die ziekte erven.












Alle pasgeboren baby's krijgen een prikje in de hiel om bloed af te nemen. Het bloed wordt onderzocht op enkele erfelijke ziektes. Als een baby zo'n ziekte heeft, kan hij op tijd worden behandeld.

Het zit in de cellen

Ieder levend wezen, mens, dier of plant, bestaat uit cellen. Een volwassen mens heeft ongeveer 65 biljoen van die piepkleine bouwsteentjes. Je hebt een sterke microscoop nodig om ze te kunnen zien. Er zijn ook cellen die je met het blote oog kunt zien, zoals de bruine stipjes in kikkerdril of de dooier van een kippenei. Deze cellen zorgen voor een jong dier. Het zijn voortplantingscellen. Bij een vrouwtje heten ze eieren of eicellen, bij een mannetje zaadcellen of sperma. Als een zaadcel bij een eicel komt, wordt de eicel bevrucht. Er groeit dan een nieuw mens of een nieuw dier. Bij bloemen heb je ook eicellen en zaadcellen. De zaadcellen van bloemen noem je stuifmeel. Dat stuifmeel wordt door insecten of de wind van de ene naar de andere bloem gebracht. Zo worden de eicellen bevrucht en groeien er vruchten met zaden uit.

Het belangrijkste deel van een cel is de kern. Zonder kern weet een cel niet wat hij moet doen en gaat hij dood. In iedere kern zitten namelijk genen die een soort "instructies" bevatten. Ook je erfelijke eigenschappen zijn opgeslagen in de genen. De genen zitten op lange, dunne draadjes die chromosomen worden genoemd. Die bestaan weer uit kleinere draadjes: DNA. Dat DNA zit als een spiraal helemaal in elkaar gedraaid. Zo past het in de kern. Elke cel in je lichaam heeft hetzelfde DNA. Ze hebben dus allemaal dezelfde informatie. In elke cel zitten 46 chromosomen. 23 chromosomen kreeg je van je moeder en 23 van je vader. In de voortplantingscellen zitten namelijk maar 23 chromosomen. Op het moment dat een zaadcel een eicel bevrucht, komen die chromosomen bij elkaar en zijn er weer 46.
















De draadjes DNA in één celkern zijn samen wel 180 centimeter lang! Ze zitten helemaal in elkaar gedraaid als een bolletje wol.

Ook jij bent je leven begonnen als bevruchte eicel. Vlak na de bevruchting verdubbelen de chromosomen in de eicel zich. Daarna deelt de eicel zich in tweeën. Elke celhelft krijgt een setje van 46 chromosomen mee. Die celdeling gaat alsmaar door. Er ontstaan duizenden en duizenden cellen. Al die cellen gaan zich specialiseren. Sommige worden huidcellen, andere spiercellen of botcellen. Zo groeide jij in de buik van je moeder van een klontje cellen tot een complete baby met alles erop en eraan.

Details en informatie

  • Titel: Erfelijkheid
  • Auteur(s): Ferry Siemensma
  • Nummer: IC209
  • Niveau: 5
  • Siso: J 600.2