Noordhoff Uitgevers

IJstijden

Stel je voor: je staat ergens in het midden van Nederland. In de buurt van Hilversum. Voor je zie je een muur van ijs, van wel twintig meter hoog. Daarachter ligt nog veel meer ijs, tientallen meters hoog. Je ziet enorme scheuren in de ijsmuur. Overal ligt sneeuw. En koud dat het is!
Zo zag Nederland er ongeveer 200 duizend jaar geleden uit. Duizenden jaren lang was het winter. Die tijd wordt een ijstijd genoemd. Gletsjers kwamen vanuit Noorwegen en Zweden langzaam naar Nederland glijden. Ze bedekten de noordelijke helft van Nederland. Er zijn ten minste vier ijstijden geweest. De laatste was ongeveer 20 duizend jaar geleden. Toen kwamen de gletsjers niet verder dan Denemarken. Nederland was toen een koude vlakte, waar zand door de wind werd opgewaaid.

Een gletsjer is een rivier van ijs.

Zwerfkeien en toendra's

Niemand weet precies waardoor een ijstijd ontstaat. Het heeft waarschijnlijk te maken met de stand van de aardbol in haar baan rond de zon. Als die iets verandert, wordt het kouder op aarde. Water uit de oceanen verdampt en valt als sneeuw op het land. Maar de sneeuw smelt niet meer. De sneeuwlaag wordt steeds dikker. Door de druk verandert de sneeuw in een gletsjer. Gletsjers bewegen heel langzaam, meestal maar enkele meters per jaar. Maar in duizenden jaren is dat honderden kilometers. Zo bereikten in de voorlaatste ijstijd Noorse gletsjers Nederland. Die ijstijd heet de Saale-ijstijd.
Na duizenden jaren begon het ijs weer te smelten. De gletsjers trokken zich terug. Nederland werd toen een grote toendra, waar mossen en kleine struikjes groeiden. Na de laatste ijstijd, de Weichsel-ijstijd, leefden er in Nederland rendieren en mammoeten. Rendierjagers trokken rond en maakten jacht op deze dieren. Ze leefden van het vlees. Ze maakten kleren en tenten van de huiden. Van de botten en het gewei maakten ze gereedschap.
Tijdens de ijstijden zakte het water in de zeeën. Dat kwam doordat de sneeuw niet meer smolt. Daardoor stroomden er geen rivieren meer naar zee. Je kon toen over de bodem van de Noordzee naar Engeland lopen. Misschien kwam je dan een mammoet tegen, of een wolharige neushoorn.
Tijdens de laatste ijstijd was Nederland een koude zandwoestijn. Een harde wind blies duizenden jaren zand van de ene plaats naar de andere. Dit dekzand schuurde langs stenen. Sommige stenen werden prachtig glad geschuurd.

Deze steen is glad geschuurd door de wind en het zand.

De gletsjers hebben in Noord-Nederland hun sporen achtergelaten. Ze duwden op enkele plaatsen de bodem omhoog, als een bulldozer. Zo ontstonden heuvels of stuwwallen. Je vindt ze bijvoorbeeld in het Gooi, de Utrechtse Heuvelrug en op de Veluwe.
De gletsjers namen ook veel stenen en klei mee uit het noorden. De stenen bleven achter toen de gletsjers smolten. Zwerfkeien worden ze genoemd. De hunebedden in Drenthe zijn van zulke zwerfkeien gebouwd. Boeren gebruikten zwerfkeien om er de wegen mee te verstevigen.
Een ijstijd wordt een glaciaal genoemd. Aan elke ijstijd komt vroeg of laat een einde. Het wordt dan warmer en er kunnen weer planten groeien waarvoor het eerder te koud was. Zo'n warmere periode wordt een interglaciaal genoemd. Dat betekent: tussen twee glacialen in. Jij leeft in een interglaciaal. De volgende ijstijd komt er dus aan. Maar dat kan nog heel lang duren.

In Nederland liepen ooit mammoeten rond.

Details en informatie

  • Titel: IJstijden
  • Auteur(s): Victor Melenhorst
  • Nummer: IC131
  • Niveau: 4
  • Siso: J 563.2