Noordhoff Uitgevers

Ik heb kanker

Kanker ontstaat doordat er iets misgaat in je lichaam. Je lichaam bestaat uit miljarden cellen. Elke dag maakt het nieuwe cellen om oude of kapotte cellen te vervangen. Zo blijf je gezond. Nieuwe cellen ontstaan doordat cellen zich in tweeën delen. Elk van die cellen verdubbelt zich weer in twee nieuwe cellen. Dit delen gaat steeds door.
Soms gaat er bij de celdeling iets mis. Er wordt dan een cel gemaakt die niet helemaal goed is. Zo'n foute cel kan in het lichaam blijven zitten en zich gaan delen. Dan groeit er snel een klontje verkeerde cellen bij elkaar. Dit heet een gezwel. Bij een kwaadaardig gezwel zitten de cellen niet netjes bij elkaar. Zo'n gezwel heet ook wel een tumor. Dit is kanker. De cellen van een tumor kunnen zich verplaatsen naar andere plekken in je lichaam. Die nieuwe gezwellen heten uitzaaiingen.


Een goedaardig gezwel is een keurig groepje cellen. Bij een kwaadaardig gezwel zijn de slechte cellen tussen goede cellen gekropen.

Tumoren ontdekken en behandelen

In Nederland krijgen elk jaar ongeveer 70.000 volwassen mensen kanker. Het grootste deel van deze mensen is ouder dan 60 jaar. Heel soms krijgen ook kinderen kanker. Elk jaar zijn dat ongeveer 400 kinderen tot 16 jaar. Een groot aantal van hen wordt weer beter.
Er zijn veel verschillende soorten kanker. De naam van de kanker heeft te maken met de plek waar de tumor begonnen is. Is een tumor ontstaan in je longen, dan heet dat longkanker. Een tumor die is begonnen in je bloed, heet bloedkanker of leukemie. Elke soort kankercellen moet anders behandeld worden.
Een arts kan aan je bloed zien of je kanker in je lichaam hebt. Als hij dan weet dat er ergens een kwaadaardige tumor zit, zal hij je verder onderzoeken. Soms maakt de arts een röntgenfoto. Hij kan ook een echoscopie maken. Dan gebruikt hij een apparaat dat met geluidstrillingen ontdekt waar de tumor zit en hoe groot hij is .
Meestal probeert de arts om via een operatie een tumor te verwijderen. Je kunt ook van kanker genezen door chemotherapie. Je krijgt dan in een paar periodes (chemokuren) sterke medicijnen die zo veel mogelijk kankercellen vernietigen. Als de chemotherapie goed werkt, wordt de tumor steeds kleiner.

Een echoscopie wordt in een scanner gemaakt.

Om te voorkomen dat er kankercellen in je lichaam achterblijven, krijg je na de operatie meestal een aantal keren bestraling. De radioactieve stralen vernietigen alle cellen waarop ze terechtkomen. Omdat de straling ook slecht is voor de goede cellen, probeert een arts heel precies de juiste plek te bepalen. Hij maakt een masker, een bedekking, met alleen gaten op de plekken waar de straling doorheen moet om de kwade cellen te vernietigen. Zo worden zo weinig mogelijk goede cellen geraakt. De arts moet beschermende kleding dragen. Anders zou hij ook straling in zijn lichaam kunnen krijgen. Van de bestraling voel je niets. Je wordt er minder ziek van dan van chemotherapie. Wel voel je je erna vaak misselijk en erg moe.

Als je kanker hebt, krijg je veel medicijnen. Daardoor kun je last krijgen van bijwerkingen. Je krijgt er dan andere problemen bij, zoals je misselijk of slap voelen. Soms hebben chemokuren en bestraling ook later nog bijwerkingen. Kinderen groeien dan bijvoorbeeld niet snel genoeg, kunnen moeilijk leren of slecht zien. Vanwege die bijwerkingen proberen de artsen zo weinig mogelijk medicijnen te geven. Helaas kan dit niet altijd, omdat de kanker ook weg moet.

Details en informatie

  • Titel: Ik heb kanker
  • Auteur(s): Lonneke Snijder
  • Nummer: IC226
  • Niveau: 4
  • Siso: J 605.91