Noordhoff Uitgevers

Indianen (Junior Informatie)

De indianen waren de eerste bewoners van Amerika. Het was een enorm volk. Indianen in Noord-Amerika leefden in grote groepen bij elkaar. Zo'n groep heette een stam. De meeste stammen hadden een stamhoofd of opperhoofd. Dat was altijd een man. Hij was de baas van de stam. 
In de stam had iedereen zijn eigen taak. De mannen gingen meestal op jacht. En ze vochten als het oorlog was. De vrouwen bleven thuis. Zij verbouwden groenten op het land of ze maakten spullen voor de stam, zoals sieraden, potten en manden om eten in te bewaren en pijlen en speren om mee te jagen.


In een indianenstad woonden soms wel tienduizenden mensen.

Natuur

Voor de indianen was de natuur erg belangrijk. Ze geloofden dat de zon, de maan en de aarde goden waren. En ook sommige dieren waren heilig, zoals de slang en de adelaar. Daarom waren de veren op een hoofdtooi vaak van een adelaar. 
Veel indianenstammen hadden een totempaal. Dat was een houten paal waarin figuren gesneden waren. Ze eerden er de natuur mee. En ze dansten en zongen erbij. Zo vroegen ze aan de goden om een goede jacht of ze bedankten hen als de oogst goed was.


Het woord 'totem' komt van het indianen-woord 'doodem'. Dat betekent 'familie-teken'.  

Speciale kracht

Indianen geloofden dat sommige mensen met goden en geesten konden praten. Daar had je een speciale kracht voor nodig. Elke stam had zijn eigen man of vrouw met zo'n kracht: de sjamaan. Een sjamaan was een belangrijke persoon, die voor de stam dingen aan de goden kon vragen. Ook geloofden indianen dat een sjamaan met zijn of haar dromen in de toekomst kon kijken. De sjamaan gaf daarom vaak adviezen aan het opperhoofd van een stam. 

Details en informatie

  • Titel: Indianen (Junior Informatie)
  • Auteur(s): Lucas Arnoldussen
  • Nummer: 80
  • Niveau: 3
  • Siso: J 954.1