Noordhoff Uitgevers

Insecten

Heb je wel eens een insect van dichtbij bekeken? Insecten lijken niet op vissen, vogels of zoogdieren. Er zijn allerlei soorten insecten. Een lieveheersbeestje en een sprinkhaan zien er niet hetzelfde uit. Toch hebben ze hetzelfde bouwplan. Dat betekent dat ze op dezelfde manier gebouwd zijn. Ze hebben allemaal een kop, een borststuk en een achterlijf. Ook heeft elk insect zes poten. Het achterlijf bestaat uit segmenten. Dat zijn ringen en platen die langs en over elkaar kunnen bewegen. Insecten halen geen adem door longen, maar door stigmata. Dat zijn buisjes die in de segmenten zitten.

Mieren zijn sterk en werken hard. Het zijn de opruimers in de natuur.

Skelet aan de buitenkant

Insecten zijn ongewervelde dieren. Hun skelet zit aan de buitenkant van hun lichaam. Reptielen, zoogdieren, vogels en vissen zijn gewervelde dieren. Hun skelet zit binnen in hun lichaam. Een skelet geeft een lichaam steun en zorgt ervoor dat het kan bewegen. De segmenten waaruit het achterlijf van een insect bestaat, kun je hun skelet noemen. Ze zijn gemaakt van chitine. Van deze stevige stof zijn ook onze nagels en haren gemaakt. Veel insecten hebben vier vleugeltjes aan hun borststuk. Lieveheersbeestjes vliegen niet met hun rode vleugels. Die rode vleugels zijn namelijk geen echte vleugels, maar dekschilden. Ze beschermen de tere achtervleugels.

Aan de stippen kun je zien hoe oud een lieveheersbeestje is, zeggen ze. Maar dat is niet waar, hoor.

Veel insecten leggen eitjes. Daaruit komt een larve. De larve van een vlinder is een rups. Die heeft pootjes. De larve van een vlieg is een made. Die heeft geen pootjes. Een larve maakt na een paar weken een cocon om zich heen. Daarin verandert de larve in een pop. Uit de pop groeit dan het insect. Het veranderen van larve naar insect heet metamorfose of gedaanteverwisseling. Sommige insecten komen al als insect uit het ei. Zij ondergaan geen metamorfose. Een sprinkhaan is daar een voorbeeld van. Er zijn ook insecten die geen eitjes leggen. Bladluizen poepen hun jongen gewoon uit.

Insecten worden vaak gegeten door andere, grotere dieren. Vogels zijn dol op insecten. Veel insecten hebben trucjes om ervoor te zorgen dat ze niet opgegeten worden. Sommige insecten camoufleren (zeg: kaamoefleerun) zich. Dan vallen ze niet op. Nachtvlinders zijn bijvoorbeeld donker van kleur. Wespen, bijen en mieren hebben een angel, waarmee ze kunnen steken. Sommige zweefvliegen hebben dezelfde kleuren als wespen. Daardoor blijven de vogels ook van hen af. Het lieveheersbeestje plast een geel druppeltje op je hand, als je het oppakt. Dat druppeltje smaakt vies en is een beetje giftig. Het schrikt andere dieren af, ze vinden een lieveheersbeestje daardoor geen lekker hapje.

Details en informatie

  • Titel: Insecten
  • Auteur(s): Ferry Siemensma
  • Nummer: IC188
  • Niveau: 3
  • Siso: J 597.8