Noordhoff Uitgevers

Leven in de late middeleeuwen

De late middeleeuwen is de periode van het jaar 1000 tot 1500. In die tijd werd het leven in Europa anders dan ervoor. De bevolking begon sterk te groeien, doordat het beter ging met de landbouw en er daardoor meer voedsel was. Tot nu toe werkte bijna iedereen op het land, maar omdat er steeds meer mensen kwamen, ging een aantal daarvan ander werk doen. De één werd koopman, de ander ambachtsman. Kooplieden kochten spullen van ambachtslieden en van de boeren. Met hun handelswaar gingen ze op plekken wonen waar veel mensen kwamen, bijvoorbeeld bij een kruispunt van wegen. Zo ontstonden steden.
Nederland bestond nog niet in de middeleeuwen. Er waren allemaal aparte gebieden, met elk een eigen heer, bijvoorbeeld de hertog van Brabant of de graaf van Gelre. Zo’n leenman bestuurde zijn gebied als een soort koning.


Veel Europese steden zijn ontstaan in de late middeleeuwen. In een middeleeuwse stad was het een levendige boel. Er werd volop gehandeld. Sommige inwoners van een stad waren heel rijk en andere moesten om eten bedelen.

Ontstaan van de stad

In de vroege middeleeuwen waren er al steden uit de tijd van de Romeinen, zoals Utrecht of Nijmegen. Maar na het jaar 1000 ontstonden steden op plekken waar kooplieden hun handelswaar verkochten. Ambachtslieden vestigden zich rond de markt en bouwden er hun werkplaats. Er kwam een kerk en herbergen en zo ontstond er een handelsplaats. Inwoners van succesvolle en grote handelsplaatsen wilden zelf hun bestuur en hun rechtspraak regelen. Meestal had een heer geen verstand van handel en gaf hij de stedelingen tegen betaling stadsrecht. De stedelingen moesten er wel wat voor terugdoen. Zo werden mannen bijvoorbeeld lid van de schutterij of de stadswacht om de stad te beschermen.
In de middeleeuwse samenleving waren er drie standen: de geestelijken, de edelen en de boeren. De koning stond boven aan de standen. Door het ontstaan van steden kwam er een nieuwe groep bij: de burgers, zij hoorden net als de boeren bij de derde stand.
In het stadsrecht stond ook dat er elke week een markt gehouden mocht worden. Alleen kooplieden uit de stad en boeren uit de omgeving mochten er hun spullen verkopen. Je kon er producten als groenten, eieren, kaas of vis kopen. In grote steden werd één keer per jaar een grote markt gehouden, waar kooplieden uit allerlei landen naar toe kwamen. Ze verkochten bijvoorbeeld Engelse wol, Zeeuws zout of Italiaanse zijde.
Kooplieden reisden veel. Met paard en wagen of met een boot. Zo’n reis was niet zonder gevaar. Daarom gingen kooplieden samenwerken in de Hanze, want samen reizen was veiliger. In de middeleeuwen lagen de rijkste steden in het oosten van Nederland aan de rivier de IJssel. Deze steden waren lid van de Hanze.

Geloof en onderwijs

Rond het jaar 1000 was iedereen in Europa christen. Christenen geloofden dat ze een plekje in de hemel kregen door goede dingen te doen. Bijvoorbeeld voor een zieke zorgen of een reis maken naar een heilige plaats. Veel ridders gingen op kruistocht, omdat de paus gezegd had dat op kruistocht gaan een heel goede christelijke daad was.
Lezen en schrijven was niet gewoon in de late middeleeuwen. Alleen jongens die geestelijke wilden worden, leerden lezen en schrijven. Later gingen ook zonen van kooplieden en rijke burgers naar school. Arme kinderen werkten mee op het boerenland of in de werkplaats, daar leerden ze wat ze moesten weten door wat hen werd voorgedaan. 


Iemand die op kruistocht ging, werd een kruisvaarder genoemd. Kruisvaarders droegen een rood kruis op hun kleding. Het kruis is het belangrijkste symbool van het christendom.


Details en informatie

  • Titel: Leven in de late middeleeuwen
  • Auteur(s): Susanne Neutkens
  • Nummer: 63
  • Niveau: 3
  • Siso: J 925