Noordhoff Uitgevers

Piraten

In boeken en films zijn het vaak stoere helden. In werkelijkheid zijn piraten rovers op zee. Ze vallen schepen aan, stelen de lading en verwonden of doden zelfs de bemanning. Soms varen ze naar de kust om daar mensen te beroven.
Piraten bestaan al zolang mensen schepen maken waarmee ze op zee kunnen varen. Vooral tussen 1500 en 1800 wemelde het van de piraten. Toen werden veel spullen over zee vervoerd.
Piraten gebruikten allerlei trucs om een schip te veroveren, zoals de vijand schrik aanjagen. Ze hesen dan hun zwarte vlag met een witte doodskop hoog in de mast. Ook maakten ze veel herrie door bijvoorbeeld op trommels te slaan, te schreeuwen en te schieten. Als bang maken niet werkte, voeren de piraten langszij en probeerden ze het andere schip te enteren door het aan hun schip vast te maken. Dat klinkt heel spannend, maar het piratenleven was niet zo leuk.


Sommige piratenhoofdmannen waren de baas van tientallen schepen en honderden piraten, zoals de beruchte Edward Teach.

Eenzijdig voedsel

Piraten hadden geen luxe leventje. Aan boord had alleen de kapitein een eigen hut. De anderen sliepen in hangmatten onder het dek. Er was geen toilet, alleen een plank boven het water. Soms zwierven piraten met hun schip wekenlang rond op zoek naar buit. Bij windstilte schoot het helemaal niet op. Dan kon het voedsel opraken. Meestal was er alleen droog scheepsbeschuit. Verse groenten en fruit waren er niet. Hierdoor kregen de piraten soms scheurbuik, waarbij hun tanden uitvielen.
Schoonmaken, de zeilen hijsen of neerhalen, op de uitkijk staan, verder was aan boord weinig te doen. Alleen na een storm moesten kapotte dingen hersteld worden. Uit verveling werd er nogal eens ruzie gemaakt. Gokken of kaarten om geld was meestal verboden, want ook daardoor ontstonden conflicten. Stelen van elkaar was helemaal tegen de regels. Zweepslagen of een dag zonder eten waren veelgebruikte straffen. Een zwaardere straf was kielhalen. De zwaarste straf was iemand achterlaten op een onbewoond eiland.

Piraten in actie.

In de tijd dat landen nog geen eigen oorlogsschepen hadden, stuurden ze piraten het water op om schepen van de vijand aan te vallen. Zulke piraten heten kapers. Kapers kregen van de regering een officiële kapersbrief. Daarin stond welke schepen ze moesten aanvallen en wat ze met het schip en de bemanning moesten doen. Een deel van de buit mochten ze zelf houden.
In de Caribische Zee liggen ongeveer zeventig eilanden, waarvan Jamaica, Cuba en de Dominicaanse Republiek de grootste zijn. In de zeventiende en achttiende eeuw woonden op elk eiland piraten, vaak in een eigen dorp of stadje met eigen regels. Boekaniers worden deze piraten genoemd. Spanje en Engeland hadden veel kolonies in het Caribisch gebied. Er voeren dan ook genoeg handelsschepen die de boekaniers konden enteren. Ook overvielen ze plaatsen langs de kust.

Gelukkig zijn er nu veel minder piraten dan vroeger. Toch wordt er nog volop geroofd op zee. In de wateren bij Maleisië en Indonesië komt veel piraterij voor, net als bij sommige Afrikaanse landen, zoals Somalië. De piraten van nu gebruiken speedboten, moderne wapens en nachtkijkers. Soms wordt een jacht overvallen, een andere keer een passagiersschip. Ook vrachtschepen zijn de klos. Soms pakken piraten het hele schip. Ze lossen ergens de lading, schilderen het schip over en geven het een nieuwe naam. Ze gijzelen de bemanning totdat voor hun vrijlating een groot bedrag betaald is. Elk jaar worden 300 tot 400 vrachtschepen overvallen.

Details en informatie

  • Titel: Piraten
  • Auteur(s): Zeger van Mersbergen
  • Nummer: IC244
  • Niveau: 3
  • Siso: J 658.2