Noordhoff Uitgevers

Schip: van boomstam tot supertanker

Stel je voor dat de mensen het vroeger nooit hadden aangedurfd om op een boomstam het water over te steken. Dan hadden we misschien nooit andere werelddelen ontdekt. We zouden nooit nieuwe landschappen hebben gezien. En we zouden geen andere mensen hebben ontmoet en geen handel hebben gedreven met vreemde landen. Voor de geschiedenis is het bedenken en bouwen van steeds betere schepen erg belangrijk geweest.

Het begon waarschijnlijk allemaal met een boomstam die mensen voorbij zagen drijven. Iemand kwam op het idee om daarmee het water over te steken. Later gingen mensen boomstammen uithollen met behulp van vuur. Zo ontstonden kano's. Men ging ook ronde bootjes bouwen van takken en dierenhuiden. In Ierland worden deze bootjes nog steeds gebruikt.

Een boomstamkano.

Van wind naar stoom

De oude Egyptenaren maakten duizenden jaren geleden al schepen van papyrus, een soort riet. Later gebruikten ze planken. Ze maakten voor het eerst gebruik van zeilen, die ze ook van papyrus maakten. Achter op de boot werden twee riemen, de roeispanen, in het water gezet. Daarmee konden de Egyptenaren sturen. Later gingen scheepsbouwers spanten gebruiken. Met spanten kun je veel grotere schepen bouwen. De Vikingen bedachten een oplossing waardoor ze niet meer op de wind in de rug hoefden te wachten. Ze hielden met een lange stok het zeil gespannen. Als er zijwind was, hielden ze het zeil schuin. De wind blies dan toch in het zeil. Zo konden de Vikingen met tegenwind rechtuitvaren.

Rond de dertiende eeuw (1200-1300) werd een belangrijke ontdekking gedaan. De riemen werden onder de achtersteven in het water gelaten in plaats van naast de boot. Zo ontstond het eerste roer.

Hollandse kooplieden lieten rond 1600 duizenden grote handelsschepen bouwen. Ze waren voorzien van kanonnen om de waardevolle goederen te beschermen. Deze Oost-Indiëvaarders werden meestal gebouwd van eikenhout.

Rond 1850 kwamen er stoomschepen. Die hadden schepraderen. Door de druk in de stoomketel kwamen de schepraderen van de boot in beweging. Een voordeel van de stoomboten was dat ze niet afhankelijk waren van de wind. Iemand kwam op het idee om een scheepsschroef te gebruiken. De schroef zit aan de achterkant van een schip. Later werd er in plaats van hout ook ijzer gebruikt om schepen te bouwen. Er konden toen grotere en sterkere schepen worden gemaakt. En er was minder kans op brand door de stookovens van de stoommachine of vonken uit de schoorsteen. De stoomboten werden steeds sneller en zuiniger. Stoomboten werden heel gewone vervoermiddelen.

De meeste moderne schepen varen op een dieselmotor. Denk maar aan de enorme containerschepen. Ze zijn gebouwd om goederen mee te vervoeren en hebben een sterke motor nodig. Het zijn lange, brede schepen met een heel groot laadruim waarin de goederen worden opgeslagen. Je ziet ze vaak varen over de grote rivieren. Nog groter zijn de supertankers. Die kunnen de haven niet in en gaan voor de kust voor anker. De olie wordt uit de tanker met pijpleidingen aan wal gebracht. Andere moderne schepen zijn de hovercraft en de draagvleugelboot. Een grote ventilator perst lucht onder de hovercraft, waardoor de boot boven het water zweeft. Grote propellers blazen de boot met een hoge snelheid naar voren.

Een draagvleugelboot vaart op een soort ski's. Als de boot gaat varen, tillen de draagvleugels de boot een beetje omhoog. Zo kan de boot nog sneller varen.

Details en informatie

  • Titel: Schip: van boomstam tot supertanker
  • Auteur(s): Inge van der Veen
  • Nummer: IC219
  • Niveau: 3
  • Siso: J 658.45