Noordhoff Uitgevers

Stenen

Elke steen, groot of klein, was ooit een stukje rots van een berg. Door de wind en de regen breken stukken steen van de berg af. Als die stukken in de rivier vallen, neemt het water ze mee. Ze schuren over de bodem en botsen tegen elkaar. Daardoor worden de stukjes steeds kleiner en ronder, tot het kiezelstenen zijn. Als kiezelstenen lang in het water blijven, worden ze steeds kleiner. Na vele jaren wordt het grind en daarna zand. Als je door een vergrootglas kijkt, zie je dat zand bestaat uit piepkleine steentjes.

Kleur

Stenen hebben kleuren. Soms zie je die aan de buitenkant, soms niet. Als je een steen doorhakt, zie je vaak nog veel meer kleuren. Sommige mensen vinden stenen zo mooi, dat ze ze sparen. In heel oude stenen zie je soms een afdruk van een schelp of visje. Dat noem je een fossiel. Die steen komt uit de zee. 

Werktuig 

In de steentijd was er nog geen ijzer en plastic. Mensen gebruikten toen werktuigen van steen. Ze gebruikten bijvoorbeeld steen om te bakken, te snijden of te hakken. Om vuur te maken sloegen ze vonkjes van vuurstenen.


Ook dieren gebruiken stenen als werktuig. Deze otter legt een steen op zijn buik. Hij slaat een schelp open op de steen
.

Bouwen

Veel huizen zijn gemaakt van bakstenen. Die stenen zijn gebakken. Daar gebruiken ze klei uit de rivier voor. In veel huizen ligt ook een vloer van steen, bijvoorbeeld van marmer, een heel harde steensoort. Mensen graven die steen op in een groeve. In de fabriek snijden ze er tegels van.

Details en informatie

  • Titel: Stenen
  • Auteur(s): Bouwina de Ridder
  • Nummer: 419
  • Niveau: 1
  • Siso: J 566