Noordhoff Uitgevers

Suikerziekte

In Nederland hebben meer dan 300.000 mensen suikerziekte. Dat is ongeveer één op de vijftig mensen. Bij deze mensen kan het lichaam niet goed energie uit voedsel halen. Ons hele lichaam bestaat namelijk uit ontelbare kleine levende deeltjes: cellen. Al deze cellen hebben energie nodig om te kunnen werken. Bij iemand die suikerziekte heeft, krijgt de cel geen energie. En als je lichaam geen energie meer krijgt, word je moe, duizelig en slap. Gelukkig ga je van suikerziekte tegenwoordig niet meer dood. Maar het is wel een ziekte waar je elke dag rekening mee moet houden. Je moet dan bijvoorbeeld vier keer per dag insuline inspuiten. Dat is een stof die ervoor zorgt dat er toch energie in de cellen komt. Of je moet telkens opletten of er wel genoeg suikers in je bloed zitten.

Het inspuiten van insuline gebeurt met een speciale injectiespuit.

Diabetes mellitus

Hoe werkt suikerziekte precies? Het lichaam heeft energie nodig om de cellen te laten werken. Die energie wordt gehaald uit koolhydraten. Deze zitten in zoete dingen, maar ook in fruit, brood en aardappelen. Ze worden ook wel suikers genoemd. De koolhydraten komen via de darmen in het bloed. Vanaf dat moment heten ze glucose. Glucose is een soort suiker. Het bloed brengt de glucose naar alle cellen. De glucose wil in de cellen, maar kan dit niet alleen. Glucose heeft insuline nodig. Insuline zit in je bloed. Insuline helpt glucose om door de celwand in de cel te komen. Maar bij mensen met suikerziekte lukt dit niet. Want of hun lichaam maakt geen insuline aan of er wordt wel insuline gemaakt, maar de cel doet er niets mee. Zo krijgt de cel geen energie.

Er zijn twee soorten suikerziektes: type I en type II. Acht van de tien mensen die suikerziekte hebben, lijden aan type II. Er wordt wel insuline aangemaakt, maar deze brengt de glucose niet door de celwand. De glucose blijft rondzweven in het bloed. Dit wil het lichaam niet. Het wil de glucose kwijt. Daarom halen de nieren het eruit. Daar is veel water voor nodig. Mensen met suikerziekte moeten daarom veel drinken en veel plassen. En in hun plas zit veel glucose. Dan begrijp je ook waarom suikerziekte eigenlijk 'diabetes mellitus' heet. Dit betekent letterlijk: honingzoete doorstroming. Mensen die diabetes hebben, noemen we diabeten.
Type II komt vooral voor bij oudere mensen. Het kan te maken hebben met te veel eten, te vet eten of te weinig bewegen. Soms helpt een vermageringsdieet. Soms zijn er pillen nodig die de insuline helpen. En sommige mensen moeten bij zichzelf een klein beetje insuline inspuiten.
Type I van diabetes is vervelender. Dit komt voor bij kinderen en jonge mensen. Hun lichaam maakt zelf geen insuline aan. Zij moeten insuline inspuiten. Vier keer per dag. Hun hele leven lang. Het inspuiten gebeurt met een pen. Daar zit een heel dun naaldje op. De patiënt kan het zelf doen en voelt er bijna niets van.
De diabeten moeten ook steeds de hoeveelheid glucose in hun bloed meten. Die hoeveelheid hangt af van wat ze gegeten hebben en hoeveel insuline ze hebben gespoten. Het mag niet te veel zijn en niet te weinig. Te weinig glucose in je bloed heet hypoglykemie. Het kan gevaarlijk zijn. Je wordt duizelig of suf. Of je gaat zweten en beven. Je kunt kwaad worden om niets. En als je er niets aan doet, raak je na een tijdje bewusteloos. Je moet dan snel suiker of insuline krijgen. Te veel glucose in je bloed heet hyperglykemie. Hier word je vooral slaperig en dorstig van.
Diabeten kunnen bijna alles gewoon doen, maar ze moeten altijd opletten. Dat ze op tijd eten en op tijd spuiten. Dat ze de hoeveelheid glucose in hun bloed meten. Dat ze goed slapen. Dat ze altijd wat suiker bij zich hebben voor als ze hypoglykemie krijgen.

Met een bloedglucosemeter kunnen diabetici kijken hoe hoog het glucosegehalte in het bloed is.

Details en informatie

  • Titel: Suikerziekte
  • Auteur(s): Ton Ransijn
  • Nummer: ic044
  • Niveau: 4
  • Siso: J 605.16