Noordhoff Uitgevers

Virussen (Informatiereeks)

Een virus is zo klein, dat je het alleen met een elektronenmicroscoop zichtbaar kunt maken. Toch kunnen virussen grote gevolgen hebben. Een virus kan zich razendsnel verspreiden doordat het zichzelf kopieert.
Virussen kunnen mensen, planten en dieren besmetten. Een heel bekend virus waarmee mensen besmet kunnen raken is het griepvirus. Als je griep hebt, kun je proberen te voorkomen dat je anderen besmet, bijvoorbeeld door in een zakdoek te niezen. Kinderziektes, zoals de waterpokken, zijn bijna niet te voorkomen.
Ook in een computer kan een virus zitten. Het is een mini-programma dat andere programma’s kan overnemen en die kan gebruiken om kopieën van zichzelf te maken. Het virus vermenigvuldigt zich. Het virus kan via e-mail, internet of een usb-stick in een andere computer terecht komen.
  

Waterpokken is een erg besmettelijke ziekte. Je krijgt het meestal als kind. Binnen twee weken gaan de jeukende rode blaasjes vanzelf weer weg en daarna krijg je het –gelukkig- nooit meer.

Vermenigvuldigen

Een virus is heel anders gebouwd dan een cel. Een cel regelt alles wat nodig is om te kunnen leven. Dat doet hij met het DNA. Een virus is geen cel, maar heeft wel erfelijk materiaal. Er zit een pantser om het erfelijk materiaal, zodat het goed beschermd is. Virussen hebben heel veel verschillende vormen. 
Een virus kan niet eten en groeien, maar kan zichzelf wel vermenigvuldigen. Dat gaat alleen met de hulp van een cel van bijvoorbeeld een mens, een dier of een plant.
Een virus kan een cel binnendringen. De cel doet dan niet meer wat goed is voor de cel zelf, maar wat goed is voor het virus: kopieën maken. Meestal gaat de cel dan dood, barst open en de virussen komen naar buiten. Vaak zijn het er dan al duizenden. Als zij vervolgens weer geschikte cellen tegenkomen, breidt de infectie zich uit.
Sommige virussen gaan buiten een cel snel kapot. Ook kunnen niet alle virussen zich even goed verspreiden. Sommige virussen kunnen alleen een cel van een plant binnendringen, andere alleen een cel van een mens.
Er zijn virussen die in je lichaam zitten zonder dat je er iets van merkt, zoals het herpes-virus. Soms kun je er plotseling last van krijgen. Je krijgt dan blaasjes op je lip: een koortslip.
Gelukkig heeft het lichaam weerstand tegen veroorzakers van ziektes. Een deel van die weerstand heb je al als baby, een ander deel bouw je later op. 
Er bestaan ook gevaarlijke virusziektes, zoals ebola en aids. Aan deze ziektes zijn heel veel mensen dood gegaan. Ze zijn zo besmettelijk dat artsen of verplegers zich moeten beschermen met een speciaal pak. 


Virussen kunnen verschillende vormen hebben. Sommige zien er simpel uit. Andere zijn ingewikkelder. Er zijn virussen die lijken op een robot-mug, compleet met poten en steeksnuit.

Leven met virussen

Behalve virussen zijn er ook bacteriën die een mens ziek kunnen maken, bijvoorbeeld de cholerabacterie. Met antibiotica dood je ook de nuttige bacteriën. Er bestaat een virus dat alleen de cholerabacterie aanvalt en de nuttige bacteriën laat leven. Dat virus kun je dus als geneesmiddel gebruiken om cholera te genezen. Wetenschappers doen proeven in een laboratorium om meer te weten te komen over erfelijk materiaal. Daar gebruiken ze ook virussen bij.
In de toekomst kunnen virussen misschien zelfs gebruikt worden om ernstige erfelijke ziektes te genezen: ziektes die je van je vader of moeder meekrijgt en doorgeeft aan jouw kinderen. Dan zijn virussen dus nuttig en kunnen ze zelfs levens redden.

 

Dit is een samenvatting van Informatieboekje 69 Virussen.

Details en informatie

  • Titel: Virussen (Informatiereeks)
  • Auteur(s): Geert-Jan Roebers
  • Nummer: 69
  • Niveau: 4
  • Siso: J 605.11