Noordhoff Uitgevers

Wilde katten

Wilde katten, zoals leeuwen en tijgers, zul je niet gauw in het echt tegenkomen. Het zijn schuwe dieren, die vaak 's nachts jagen. In natuurfilms kun je wel zien hoe jachtluipaarden achter hun prooi aanrennen. Of hoe leeuwinnen een zebra doden. Katten zijn echte roofdieren. Hun lichaam is er helemaal op gemaakt om een ander dier te vangen en te doden. Ze zijn sterk en gespierd en kunnen bliksemsnel een prooi bespringen. Alle katten hebben een puntig, scherp gebit. Het zijn dan ook echte vleeseters of carnivoren. Met hun kiezen scheuren ze het vlees van de botten. De brokken slikken ze zonder te kauwen door. Dat kan makkelijk, want katten hebben sterk maagsap. Daarin verteren niet alleen stukken vlees maar ook kleine botjes.

Leeuwinnen jagen samen. Als ze een prooi hebben gedood, mag het mannetje eerst eten.

Grote en kleine katachtigen

Je denkt bij wilde katten vaak meteen aan de 'grote jongens': tijgers, leeuwen, jachtluipaarden en panters. Maar er zijn ook heel wat kleine katten die in het wild leven. In Nederland komen ze niet meer voor. Er zijn hier te weinig grote, rustige natuurgebieden. Maar in België, in de Ardennen en in Duitsland leven wel lynxen en wilde katten. Er is ook een soort die 'wilde kat' heet. Behalve de grootte zijn er nog andere verschillen tussen grote en kleine katten. Zo kunnen alleen de grote katten brullen. Kleine katten miauwen. Op de hele wereld leven ongeveer 36 soorten katten.
De huiskatten stammen waarschijnlijk af van de Nubische wilde kat. Die leeft nu nog in Afrika. Het is dezelfde kattensoort die ook, heel vroeger, door de oude Egyptenaren tam is gemaakt.

Lynxen herken je aan hun oorpluimpjes. Natuurbeschermers hopen dat lynxen in de toekomst ook weer in de Nederlandse natuur zullen kunnen leven.

Als er één dier is dat onhoorbaar loopt en sluipt, is het wel een kat. Katten hebben zachte eeltkussens onder hun poten. Ook houden ze hun scherpe nagels onder het lopen ingetrokken.
Die nagels slaan ze wel uit om een prooi te grijpen, te vechten en te klimmen. Je hebt vast wel eens een huiskat met zijn klauwen zien krabben. Aan een deur, een stoel of een boom. Ook alle wilde katten krabben. Ze strekken dan hun spieren en raken tegelijk losse nagelstukjes kwijt. Maar ze doen het vooral om hun geur te verspreiden.
Alle katten bakenen hun eigen leefgebied af, hun territorium. Ze doen dat door reukvlaggen achter te laten. In hun voetzolen en op hun kop zitten geurklieren. Door krabben en door 'kopjes' te geven, laten ze hun geur overal achter. Ook doen ze op allerlei plaatsen een plasje. Zo ruiken andere katten dat er in dat gebied al een kat woont.

Een jaguar heeft een erg mooie vacht. Door de vlekken op hun vel vallen ze niet op in het bos.

Bijna alle katten leven alleen. Alleen als ze willen paren, zoeken mannetjes en vrouwtjes elkaar op. Het vrouwtje lokt het mannetje met gebrul of lang gemiauw. Ook aan haar plasjes ruikt het mannetje dat ze krols is. Voor de bevalling zoekt het vrouwtje een veilige schuilplaats. Want jonge katten worden hulpeloos en blind geboren. Bij de meeste katten brengt de moeder haar jongen alleen groot. Alleen bij leeuwen bemoeit ook het mannetje zich met de opvoeding.
Volwassen katten hebben weinig vijanden. De grootste bedreiging zijn de mensen. Eeuwenlang is er jacht gemaakt op wilde katten. Vooral om van hun vacht bontjassen te maken.

Details en informatie

  • Titel: Wilde katten
  • Auteur(s): Jeanet de Pee
  • Nummer: IC129
  • Niveau: 3
  • Siso: J 598.95