Noordhoff Uitgevers

Schilderkunst

Al duizenden jaren schilderen mensen. In de loop van de eeuwen is de schilderkunst wel veranderd. Niet alleen de onderwerpen, ook de techniek.
In de middeleeuwen was het christelijk geloof belangrijk voor mensen. Schilderijen uit die tijd gaan dan ook vaak over verhalen uit de Bijbel. Ook werden er portretten geschilderd van rijke mensen. Alleen zij konden zo'n schilderij betalen. Sommige schilderijen gaan over de natuur. De afbeeldingen op deze schilderijen lijken op echte dingen.
Er zijn ook kunstschilders die het niet belangrijk vinden of iets goed lijkt. Zij schilderen abstract. Dat wil zeggen dat voorwerpen niet meer te herkennen zijn. Maar het betekent nog niet dat de schilderijen nergens over gaan. Misschien zie jij wel iets anders in het schilderij dan de schilder zelf bedoelde.

Mensen kun je op heel veel verschillende manieren schilderen. Zoals deze abstracte 'Houthakker' van Malevich. Je ziet wel herkenbare dingen, maar eigenlijk klopt het niet helemaal.

Hoe maak je een schilderij?

Een schilderij kun je maken met allerlei soorten kwasten, of zelfs met een spatel of je handen. Schilderen kan op papier of doek, maar ook op een muur of op een stuk ijzer. Om te kunnen schilderen heb je wel verf nodig. In de verf zit pigment. Deze stof geeft kleur aan de verf. Vroeger gebruikten kunstschilders zelfgemaakte verf. Het pigment werd gemaakt van bijvoorbeeld fijngemalen plantendelen. Met ei of olie werd er een pasta van gemaakt. Olieverf kun je dik aanbrengen, maar ook heel dun. Door laagjes over elkaar te schilderen, krijg je mooie diepe kleuren. In waterverf zijn de pigmenten gemengd met water. Dat geeft doorzichtige kleuren.
In oude kerken kun je nog vaak muurschilderingen zien. De schilder bedekte de muur eerst met een laagje natte kalk. Daarna maakte hij er met waterverf een schildering op. Zo'n schildering is een fresco.

Een schilderij is plat. Schilders kunnen met lichte en donkere kleuren schaduwen schilderen. Zo krijgt een schilderij diepte. Het lijkt dan alsof het niet meer plat is.
Een andere manier om diepte te krijgen, is het centraal perspectief. In de vijftiende eeuw, van 1400 tot 1500, werd ontdekt hoe je bijvoorbeeld een straat zo kon schilderen dat die 'net echt' leek.
Een schilderij lijkt ook 'net echt' als je goed kunt zien welke materialen er zijn geschilderd. Zoals hout of fluweel. De schilders van stillevens konden dat heel goed. Op hun schilderijen staan mooie voorwerpen of eten uitgestald.

Door de opkomst van de fotografie gingen sommige schilders anders werken. Zij wilden niet meer 'net echt' schilderen. Dan kon je net zo goed een foto maken. Op hun schilderijen kon je nog wel voorwerpen herkennen. Maar ze hoefden niet meer precies te lijken. Later werden er schilderijen gemaakt die helemaal abstract waren. Zo waren er schilders die buiten schilderden. Buiten veranderen de kleuren en schaduwen voortdurend. De schilders moesten dus snel schilderen. De schilderijen werden daardoor minder precies, maar ze vonden dat niet erg. Ze wilden vooral een indruk geven van een kort moment, een impressie. Hun manier van schilderen noemen we daarom impressionisme. Sommige kunstenaars gingen andere kleuren gebruiken dan ze in werkelijkheid zagen. Op die manier konden ze heel goed een sfeer weergeven.

Dit werk van Monet heet 'Opgaande zon'. Het is een impressionistisch schilderij. Het is niet zoals de werkelijkheid. Maar de sfeer van een opgaande zon op het water is heel duidelijk.

Details en informatie

  • Titel: Schilderkunst
  • Auteur(s): Karin van Hoof
  • Nummer: IC250
  • Niveau: 3
  • Siso: J 731